Gebiedstransformaties (2008)
“Transformeren is ontdekken, vallen en opstaan”. Het fenomeen ’transformeren‘ is en blijft een begrip waar binnen de ruimtelijke ordeningswereld veel onduidelijkheid over bestaat, omdat het op meerdere manieren kan worden geïnterpreteerd. Wat alle definities gemeen hebben is dat het gaat om ontwikkelingen waarbij aanzienlijke veranderingen plaatsvinden. Wanneer gesproken wordt over transformaties binnen gebiedsontwikkelingen, dan kan het gaan over een verandering van ruimtelijke vorm, functie, waarde, samenstelling, karakter, etc.
Gebiedstransformaties kunnen op verschillende schaalniveaus plaatsvinden, van een klein cluster tot een heel stadsdeel. OPPS heeft de praktijk van gebiedsontwikkelingen bij grootschalige transformatielocaties onderzocht. Aan de hand van interviews met projectdirecteuren en programmamanagers betrokken bij grote projecten, met behulp van surveys en observaties ter plekke, en haar symposium Transformatie ’08 heeft zij gepoogd de kennisontwikkeling op dit gebied te voorzien van nieuwe handvaten en ideeën over de aanpak van publiek private samenwerking bij gebiedsontwikkelingen.
In Nederland zijn op dit moment een vijftigtal gebieden aan te wijzen als grootschalige transformatielocaties. Bekende voorbeelden zijn de Westergasfabriek in Amsterdam en Strijp-S (het voormalig Philipsterrein) te Eindhoven. Over het algemeen betreft het vaak grote industrie-, haven- en bedrijventerreinen of spoorzones, waarbinnen een ingrijpende bestemmingsverandering plaatsvindt. Het zijn gebieden die een grote bestuurlijke en ruimtelijke complexiteit kennen als gevolg van grondverhoudingen en juridische afbakeningen door o.a. bestemmingsplannen. Naast deze bestuurlijke en ruimtelijke complexiteit komen in dergelijke projecten de werelden van gebiedsontwikkeling, vastgoed en infrastructuur steeds dichter tegen elkaar te liggen en overlappen zij elkaar ten dele. Een integrale gebiedsvisie is dan ook noodzakelijk. Om al deze vraagstukken tot één succes te brengen, zoeken publieke en private partijen elkaar steeds vaker op. Zij erkennen de toegevoegde waarde, zowel in (ruimtelijke) kwaliteit als in financiële zin, die de samenwerking met zich mee kan brengen.
Er bestaat geen standaard samenwerkingsvorm voor transformatielocaties. De samenwerkingsvorm wordt in de praktijk op verschillende manieren vormgegeven afhankelijk van de beschikbare sturingsinstrumenten bij de betrokken publieke en private partners en de ervaringen die men heeft opgedaan in het verleden. Deze instrumenten zorgen ervoor dat de partijen op verschillende manieren invloed uit kunnen oefenen op een transformatielocatie. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld het bestemmingsplan en het ontwikkelingsplan van gemeenten, maar ook de Wet Voorkeursrecht Gemeenten (WVG) die zij kunnen vestigen of de inzet van subsidies. Private partijen kunnen hun positie bevestigen aan de hand van contracten. Uitgangsposities zoals het grondbezit, beschikbare financiën, maar ook zaken als het kunnen omgaan met het element tijdsdruk, de beschikbare kennis die men heeft, de bereidheid tot het dragen van bepaalde risico’s en de aanwezigheid van sociaal-maatschappelijk draagvlak, spelen een belangrijke rol. Het regievraagstuk is dus een centraal thema bij publiek private samenwerking. Vragen als “Hoe behoud je als gemeente de gewenste mate van grip op de ruimtelijke ontwikkelingen binnen je gemeentegrenzen?” en “Hoe kun je als private partij je eigen stempel op een grootschalige ontwikkeling drukken en je ook nog voldoende rendement kan halen?” bepalen in grote mate het ingezette instrumentarium en de onderlinge verhoudingen.
Tijdens het onderzoek is vooral gekeken naar de verschillende vormen van gebiedsontwikkeling en het type publiek private samenwerking dat er bij de verschillende gebieden heeft gespeeld. Wat waren nu precies de bottlenecks, zowel in het gebied als in het planvormingproces? En op welke manier kan men deze projecten efficiënt vormgeven of waardoor heeft men toegevoegde waarde kunnen creëren? Kortom, wat zijn de leerervaringen uit de hedendaagse praktijk van samenwerking op transformatielocaties? De volgende paragraaf schetst een aantal grote transformatielocaties in Nederland en de publiek private samenwerking daarbij.
Transformatielocaties
“Elke situatie vraagt om zijn eigen oplossingen”
In deze paragraaf zullen enkele voorbeelden van transformatielocaties in Nederland besproken worden. Er zal worden ingegaan op de kern van de transformatie, de betrokken partijen, de gehanteerde samenwerkingsvormen en de meest opvallende leerervaringen.
Ede-Oost, Spoorzone, kazerne & Enka-terrein
| Facts | |||
| Ontwikkelaar | Nog niet bekend | Problematiek | Infrastructuur en monumenten |
|
Betrokken partijen |
Enkans; Fortis en AM (in Grondbank), gemeente; Spoorzone; V&W, ProRail en NS Poort, gemeente | Doorlooptijd | 2005-2020 |
| Omvang | 200.000m2 bvo | Grondbezit | Enka-terrein en kazerne per 2010 gemeente, spoorzone bezit NS |
| Oppervlak | 200 hectare | Samenwerkingsvorm | Enka: CV |
Ede-Oost is een gebied dat ligt tussen de Veluwe, het centrum van Ede, het intercitystation Ede-Wageningen en nabij de ontsluitingswegen naar de A12 en de A30. Het stadsdeel heeft mede dankzij haar goede bereikbaarheid een alsmaar groeiende regionale functie en wordt steeds aantrekkelijker als vestigingslocatie voor hoogwaardige bedrijfs- en onderwijsfuncties1.
De industriële en militaire activiteiten in Ede-Oost zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van het Ede van nu. De Enka-fabriek, de kazerne en het station zijn bepalend geweest voor zowel de stedelijke vorm als voor de economische impuls die zij het dorp gaven. Inmiddels is Enka gesloten en is het kazerneterrein bijna helemaal verlaten. Het stationsgebied is door alle ontwikkelingen aan vernieuwing toe en herontwikkeling van het stationsgebied is tevens noodzakelijk om de dagelijkse passagierstromen blijvend goed te kunnen bedienen. Het spoor van Arnhem naar Utrecht vormt een grote barrière voor de toekomstige ontwikkelingen en groei van de stad doordat deze midden door de stad loopt. Het streven is deze barrière weg te nemen door het spoor deels verdiept aan te leggen, zodat het verkeer het spoor op maaiveld zou kunnen kruisen. De geluidsoverlast wordt zo eveneens verminderd(1).
Eind november 2008 is definitief vastgelegd dat eind 2009 gestart wordt met de bouw van 1.425 woningen op het Enka terrein(1). Per 1 januari 2010 wordt de gemeente officieel eigenaar van de vrijgekomen terreinen en heeft zij vrij spel voor de herontwikkeling van dit grote oppervlak tot woon- en werkgebied. Het Enka-terrein moet echter eerst gesaneerd worden. De herontwikkeling van de gebieden in Ede-Oost wordt zoals gezegd mede gestuurd door de cultuurhistorische waarden van de locatie. Een aantal gebouwen (en monumenten) zal dan ook worden behouden door herbestemming. De overige gebouwen worden gesloopt. De gemeente verzorgt samen met het Rijk het tijdelijk beheer van de terreinen en gebouwen.
Publiek privaat samenwerkingsverband
Voor de ontwikkelingen op het Enka-terrein heeft men ervoor gekozen om te werken in een CV. De Grondbank Bennekomseweg Ede C.V. bestaat uit AM en Fortis Vastgoed Ontwikkeling. Het Enka-terrein is dus gekocht door de private combinatie van Fortis en AM met een volledig ondernemingsrisico vanuit het idee om hier uiteindelijk woningbouw te kunnen ontwikkelen. De betrokkenheid van de gemeente is geregeld door een samenwerkingsovereenkomst die is gesloten tussen de gemeente en de Grondbank. De Grondbank ontwikkelt dus het hele gebied en de gemeente Ede stelt hieraan enkele duidelijke randvoorwaarden. In de overeenkomst staat dat de gemeente bereid is mee te werken aan de herontwikkeling van dit gebied tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling, onder voorwaarde dat dit zal plaatsvinden onder het regime van het masterplan Ede-Oost(3). Na ontwikkeling draagt de grondbank de openbare ruimte weer over aan de gemeente. Gezien het belang en de omvang van deze ontwikkeling op zo’n belangrijke locatie voor Ede wil de gemeente aan de voorkant de regie houden. Daarom heeft Ede voor het totale gebied (spoorzone, Enka-terrein en de kazernes) een integraal masterplan gemaakt. Het masterplan voor het Enka-deel is samen met de private partijen (grondbank) ontwikkeld(3).
Leerervaringen Ede
- De grootste bottlenecks bij Ede-Oost zijn de barrièrevorming als gevolg van de liggende infrastructuur en de vele monumenten. Dit zijn behoorlijke drempels die genomen moeten worden alvorens tot een goede ontwikkeling te komen. Ede en de Grondbank hebben dan ook de commissie Enkans opgezet voor het behoud en opname van monumenten in de planontwikkeling. In de commissie Enkans zijn de gemeentelijke welstandscommissie en de gemeentelijke monumentencommissie vertegenwoordigd, naast de Grondbank Bennekomseweg en de Rijksdienst voor de monumentenzorg (7). Enkans is ontstaan vanuit de ontwikkelingsvisie van de private eigenaar. Deze wenst een positieve transformatie waarbij niet alles wordt veranderd, maar ook kenmerken van het oude in de nieuwe structuur herkenbaar terugkomen. Enkans heeft een onafhankelijke positie en adviseert Het College van B&W over de plannen.
- De supervisor van het gebied is ook de maker (d.i. de stedenbouwer) van het masterplan. De gemeente en de supervisor werken heel nauw met de ontwikkelaar samen aan het stedenbouwkundig plan.
- Per gebied is het verschillend welke ontwikkeling je daar wilt realiseren. Daar zijn diverse scenario’s voor denkbaar. De gemeente formuleert op basis van de kaders en randvoorwaarden het masterplan per gebied, ook wordt gekeken wat het gebied financieel moet opbrengen en tenslotte wordt aan de creativiteit van de markt overgelaten wat er in het gebied kan worden gerealiseerd.
- Het is heel belangrijk waar je de risico’s van de GREX gaat neerleggen. Risico’s zijn altijd belangrijk, idem de mate van regie die je wilt houden. Hierin zit een afweging. Je hoef niet altijd financiële grondpositie te hebben om de regie te voeren.
- Voor de overheid is het van belang de meerwaarde van de marktpartijen te zoeken. In complexe situaties (inhoudelijk en financieel) probeer je de meerwaarde van de markt maximaal tot uitdrukking te laten komen. Je moet heel scherp zoeken naar marktpartijen die heel goed passen bij de opgave.
- Het heeft geen zin om zaken te formaliseren als je aan de voorkant niet de minimale noodzakelijke financiële middelen hebt geregeld.
- Belangen van publieke en private partijen stroken niet altijd met elkaar. Als de basis maar voldoende is en ervoor zorgt dat de verschillende belangen elkaar wel versterken.
- Belangrijk is om te weten wat je precies wilt en dat daar van tevoren goed over is nagedacht. Wat wil je gerespecteerd hebben in je toekomstige ontwikkeling?
- Ede leert ons dan ook dat het goed kan zijn om te gedetailleerde plannen te voorkomen, zeker wanneer je weet dat je langjarig bezig bent. Marktsituatie en werkelijkheid zijn immers aan verandering onderhevig.
Strijp-S Eindhoven
| Facts | |||
| Ontwikkelaar | Volker Wessels | Problematie | Vrijkomend terrein door gefaseerd vertrek Philips |
|
Betrokken Partijen |
Gemeente Eindhoven, Credo Integrale Planontwikkeling, Philips, Trudo + Woonbedrijf 3W vastgoed | Doorlooptijd | 2006-2020 |
| Omvang | 430.000 m2 bvo | Grondbezit | Gemeente Eindhoven |
| Oppervlake | 27 hectare | Samenwerkingsvorm | Joint Venture |
Strijp-S betreft het voormalige Philipsterrein in Eindhoven dat wordt getransformeerd tot een gemengde woon-werkwijk. Een aantal gebouwen op Strijp-S is als rijksmonument aangemerkt en zorgt daarmee voor een mix van oud en nieuw in de toekomstige wijk. Streven is met een groot aantal nieuwe voorzieningen zoals winkels en restaurants en een theater, Strijp-S een enorme kwaliteitsimpuls te geven(6).
Gezien de aanwezige infrastructuur heeft Strijp-S qua bereikbaarheid een zeer goede ligging. Zowel via spoor, autowegen als via Eindhoven Airport. Tevens is een bijzondere ontwikkeling het Phileas hoogwaardig openbaar vervoer, dat een tracé krijgt door Strijp-S (6). Een groot deel van de aanwezige wegen zal omgelegd worden en parkeergelegenheid zal volledig ondergronds worden gerealiseerd. Strijp-S krijgt een aantrekkelijk vestigingsklimaat. In totaal is er voor 90.000 m2 aan kantooroppervlak begroot. Daarnaast wordt er ook ruimte gerealiseerd voor commerciële en overige voorzieningen. In het Definitief Ontwerp Stedenbouwkundig Plan voor Strijp-S is ruimte opgenomen voor circa 2.500 tot 3.000 woningen, met een totaal woonoppervlak van ongeveer 285.000 m2. Strijp-S wil te hoge concentraties woningen voorkomen door het aanleggen van een uitgebreid openbaar groen6.
Publiek privaat samenwerkingsverband
Philips liet de gemeente weten een dispositie van haar gebouwen portefeuille na te streven van 54 naar 3 locaties in de regio(6). De gemeente wilde wel richting geven aan de herontwikkeling. In 2002 ontstond hierdoor het eerste samenwerkingsverband met Phillips. Voor de grootste locatie, Strijp-S heeft Philips zelf gegadigden uitgevraagd voor de aankoop van grond en vastgoed(3). Volker Wessels speelde hierin een belangrijke rol gezien hun omvangrijke grondbezit. Nadat Volker Wessels was geselecteerd, is de publiek private samenwerking tussen de gemeente en de marktpartij tot stand gekomen op basis van een joint venture. Later heeft ook woningcorporatie Trudo op initiatief van Volker Wessels zich als partner aangesloten in de joint venture. Volker Wessels zocht immers naar een ervaringsdeskundige op het gebied van ontwikkeling van huurwoningen. Later in het proces heeft de gemeente onder dezelfde voorwaarden als in het contract met Philips de grond teruggekocht. Philips is verantwoordelijk voor het milieucomponent en de liggende kabels en leidingen in het plangebied. De gemeente is inmiddels grondeigenaar en levert de grond fiscaal bouwrijp aan de ontwikkelaar(s). De joint venture beheert in eerste instantie de openbare ruimte, welke later weer terug zal worden overgedragen naar de gemeente. In een beeldkwaliteitplan is de ontwikkeling van de openbare ruimte nader uitgewerkt. De joint venture is dus de regisseur van de locatie (6).
Leerervaringen Eindhoven
- In dit geval was er sprake van een natuurlijke partner, omdat Philips en Volker Wessels al een principeovereenkomst hadden. Tevens heeft de destijds nieuwe burgemeester Welschen Eindhoven ervan overtuigd dat de overheid strategische partners nodig heeft om de gewenste ‘quality of life’ te bereiken. Dat kan volgens Welschen en Volker Wessels, die ook in deze vorm al aan het Paleiskwartier in Den Bosch hadden gewerkt, het beste in een publiek private samenwerking. De markt is volgens hen immers veel beter in de inhoud, zij kan de woningen bouwen die aansluiten op de vragen de gewenste kwaliteit waarborgen.
- Zorg voor een goede visie waar alle keuzes en beslissingen aan gespiegeld kunnen worden. Hetgeen dat ontwikkeld wordt, moet ondersteunend zijn aan de visie.
- Om te weten wat de stad ‘nodig heeft’, is het belangrijk om in de vaten van de stad te zitten. Dit voorkomt dat er zaken worden ontwikkeld waar de stad helemaal geen behoefte aan heeft.
- Het is de kunst die partner te vinden die het beste past bij het bereiken van je doelstellingen.
- De gemeente probeert de plannen te beïnvloeden door de private partners een bepaalde richting te laten kiezen of keuzes te laten maken.
- In zijn algemeenheid stelt Eindhoven dat ze de samenwerkingsvorm kiezen die het best past bij de doelstelling. De kracht van de samenwerking ligt dan toch in de overeenkomst.
- Houdt goed contact met de vervreemder als die een grote positie heeft. Er zijn zeker bij industriecomplexen veel complexe zaken die moeten worden opgelost en dat kan vaak alleen met behulp van de oorspronkelijke partij (denk aan vervuiling, bedrijfsverplaatsing)
- Neem wantrouwen weg en creëer vertrouwen. Specialiseren kan voor respect zorgen, blijf te allen tijde communiceren
- Zorg voor een solide financiële huishouding en breng je HRM op orde
- Behoud zoveel mogelijk flexibiliteit, timmer niet alles meteen aan het begin dicht.
- Een belangrijke laatste stap is het formaliseren van de samenwerking. Doe dat niet te vroeg, maar als je het doet regel het dan wel goed.
Overamstel, het Amstelkwartier
| Facts | |||
| Ontwikkelaar | Projectbureau Zuidoostlob (gemeente Amsterdam), Volker Wessels/ DeltaForte/Rochdale, de combinatie AM/BAM en de combinatie LSI/NL-development | Problematie | Nauwelijks publiek grondbezit, rommelig aangezicht en zicht op de Amstel beperkt |
|
Betrokken partijen |
Gemeente Ouder-Amstel, Stadsdeel Oost-Watergraafsmeer | Doorlooptijd | 2005-2020 |
|
Omvang |
5.500 m2 bvo | Grondbezit | Particuliere eigendommen |
| Oppervlakte | 4 hectare grond waarvan 2 hectare water | Samenwerkingsvorm | Traditioneel (bouwenveloppen) |
Het havengebied Overamstel in Amsterdam wordt de komende jaren geleidelijk getransformeerd tot een grootstedelijk gemengd woon- en werkgebied. Het betreft een verouderd industrieterrein dat aan herontwikkeling toe is en bestaat uit drie deelgebieden. Stap voor stap komen de eerste kleinschalige ontwikkelingen in het gebied op gang. Zo is de rioolwaterzuivering aan de Spaklerweg gesloopt en is er een tijdelijk restaurant geopend(4). De gemeente streeft er naar om een nieuwe stadswijk aan de Amstel te creëren waarbij zowel wonen, werken als de interactie tussen de bewoners en het water centraal staan. De bereikbaarheid van de locatie is in de afgelopen jaren wel al steeds beter geworden door de ligging van de A10 en de A2 en de aanleg van nieuwe metrolijnen. De A2 moet nog wel omgevormd worden tot een stadstraject in plaats van een snelweg om de barrièrewerking te verminderen. Streven is ook de ontwikkeling van een oostwest-verbinding. Hierbij wordt rekening gehouden met het vertrek van de Bijlmer Bajes. De deelgebieden in het plan kunnen zo daadwerkelijk met elkaar verbonden worden(3). Het gebied wordt zo steeds geschikter om in alle geschetste behoeftes van de grootschalige transformatie te voorzien.
Het plangebied ligt in stadsdeel Oost-Watergraafsmeer, binnen de ring van Amsterdam en ten zuiden van het Amstelstation. In het eerste deelgebied aan de Weespertrekvaart wordt een gemengde woonwerkwijk ontwikkeld. Zodoende ontstaan op het huidige Nuon-terrein woningen, een winkelcentrum en een park. Tevens wordt er een nieuwe verbindingsweg tussen de Spaklerweg en de A2 ontwikkeld waardoor het bedrijventerrein Fenengastaat e.o. een goed ontsloten werkgebied kan blijven en intensiever gebruikt kan worden (5). In het deelgebied A2/Joan Muyskenweg past men de infrastructuur aan om ruimte te scheppen voor woningen en kantoorruimte. Het streven is om in het noordelijke deel van Overamstel voornamelijk woningbouw te ontwikkelen waardoor het zuidelijk plangebied zo in zijn geheel beschikbaar komt voor de werkgelegenheid. Aan de randen van de deelgebieden wordt een overgangszone ontwikkeld waarin wonen en werken gemengd voorkomen (2).
Publiek privaat samenwerkingsverband
Streven was om een duidelijke mengstrategie van oud en nieuw aan te houden en te benadrukken. Dit uitgangspunt is gekozen om te voorkomen dat ondernemers weg zouden trekken uit het gebied. Het is een zeer versnipperd gebied als het gaat om grondbezit, grondeigendom, erfpacht en huurders. Bij deze locatie is de gemeente begonnen bij die deelgebieden waar zij een goede grondpositie heeft, de rest komt later. De gronduitgifte gaat bij dit transformatieproject zeer traditioneel. Keuze hiervoor is gebaseerd op het voorkomen van langdurige relaties. De besluitvorming binnen Amsterdam verloopt volgens de gemeente veel sneller zonder directe invloed van de markt (3). De gemeente Amsterdam stelt na gronduitgifte bouwenveloppen op per bouwblok en zet deze via tenders in de markt. In een bouwenveloppe wordt een bepaald aantal vierkante meters beschikbaar gesteld voor ontwikkeling. Vaak wordt hierbij een pakket aan regels en randvoorwaarden geleverd met betrekking tot onder andere de bouwhoogtes, type dakbedekking etc., om als nog voor het integrale plangebied een uniforme uitstraling te creëren. De voorschriften voor de marktpartijen zijn soms behoorlijk gedetailleerd beschreven waardoor de mogelijkheden tot creativiteit en eigen inbreng door de private partijen in deze vorm beperkt worden. Voor de losse bouwenveloppen kunnen steeds verschillende, of dezelfde, ontwikkelaars inschrijven en geselecteerd worden. Dit instrument wordt in het geval van Amsterdam echter gehanteerd om de gebieden ook voor de kleinere ontwikkelaar beschikbaar te stellen. Een aantal ontwikkelaars is reeds geselecteerd voor enkele enveloppes, namelijk de combinatie Kondor Wessels/DeltaForte/Rochdale, de combinatie AM/BAM en de combinatie LSI/NL-development. De publieke samenwerking is vormgegeven op basis van een coalitiemodel. Deze samenwerking houdt in dat het stadsdeel in samenwerking met de centrale stad het gebied herontwikkelt. De centrale stad heeft hierdoor de gelegenheid om haar visie sterk te kunnen verankeren in het plan. Voor het stadsdeel staat vooral ook de sociaal-maatschappelijke betrokkenheid bij het project centraal. Nadat de transformatie is voltooid, wordt Overamstel weer in beheer overgedragen aan het stadsdeel (4).
Leerervaringen
- Belangrijk is om versnippering te voorkomen en te zorgen voor goede aan- en ontsluiting van het gebied. Het moet geen eiland van wonen en werken worden.
- Belangrijk in het proces is duidelijkheid, helderheid. Het is voor ondernemers zeer belangrijk een duidelijke afbakening te hebben over wat nu woongebied en wat nu werkgebied vormt.
- Maar geen blauwdrukplanning voor projecten met een tijdsduur van 10 tot 20 jaar. Dat tijdbestek is te groot, dat heeft geen zin dan.
- Hanteer een heldere rolverdeling publiek-privaat (doe waar je goed in bent)
- Snelheid is van belang, ook om aan je burgers en de ondernemers te laten zien dat je echt gaat beginnen en goed van start gaat, maar heb geen haast in je project
- Belangrijk standpunt: algemene visie op gebiedsontwikkelingen moet altijd vanuit de gemeente komen. Wel is het noodzakelijk om eerst een aantal toetsen op het gebied te laten uitvoeren.
- Belangrijk is wel te onthouden dat hoe meer je vastlegt hoe minder geïnteresseerd een ontwikkelaar zal zijn, je moet hierin dus niet te ver gaan. Echter de verwachte kwaliteit van de openbare ruimte kan je hierin heel goed vastleggen, opdat dat voldoende gegarandeerd wordt.
- Wees zeker over wat je wilt en geloof daar in, maar wees flexibel ten opzichte van veranderingen
- Probeer niet opnieuw het wiel uit te vinden.
Ilse Meier, OPPS, 20 december 2008
Bronnenlijst
1. Gemeente Ede (2008), Bouwen en Wonen. Beschikbaar op webpagina www.ede.nl,
bezocht op 04-12-2008.
2. Gemeente Amsterdam (2005), Programma van uitgangspunten Overamstel. Mei 2005.
3. OPPS (2008), Interviews Symposium Transformatie ’08. Eindhoven, 20 november 2008.
4. Projectbureau Zuidoostlob (2008), Overamstel. Beschikbaar op webpagina
5. Stadsdeel Oost-Watergraafsmeer (2008), Overamstel. Beschikbaar op webpagina
6. Strijp-S (2008), Wonen & Werken. Beschikbaar op webpagina www.strijp-s.nl,
bezocht op 03-12-2008.
7. Gemeente Ede (2007), Ede-Oost / Spoorzone, Nieuwsbrief nr. 2, 2007, pp. 2.



