Afdrukken

Resultaten enquête: gevolgen crisis op gebiedstransformaties

Resultaten enquête: gevolgen crisis op gebiedstransformaties

Naar aanleiding van het boek ‘Gebiedstransformatie is mensenwerk; verlangen, veranderen, verleiden’ heeft OPPS deze zomer, in samenwerking met PPS Netwerk Nederland een digitale enquête uitgezet onder haar relaties.


De vragen uit de enquête focussen op de gevolgen van de huidige crisis op de praktijk van gebiedstransformaties en leveren diverse interessante uitkomsten op. Van de respondenten is 48% werkzaam bij de overheid en 44% bij private organisaties. Hun betrokkenheid bij gebiedstransformatieprojecten in de praktijk is groot; 84% geeft aan in de afgelopen vijf jaar bij dergelijke projecten betrokken te zijn geweest.
 
Wat opvalt is dat driekwart van de respondenten aangeeft dat gebiedstransformaties complexer zijn in vergelijking tot andere gebiedsontwikkelingen. Als belangrijkste redenen voor de extra complexiteit worden het sluitend krijgen van de businesscase en de vele belanghebbenden genoemd. De klassieke risicoscheiding / rolverdeling tussen publieke en private partijen tekent zich daarbij in de antwoorden af. Zo geven de publieke partijen ook aan de financiering van gebiedstransformaties complex te vinden (de marktpartijen noemen dit antwoord niet), terwijl de private partijen veel meer dan de overheid de milieuproblematiek en de publiek-publieke samenwerking noemen als complicerende factoren.
 
Uit de vraag welke onderwerpen tijdens de gebiedstransformaties in de praktijk de meeste aandacht hebben gevraagd blijkt dat de nadruk ligt op financiële en organisatorische vraagstukken. Het sluitend krijgen van de businesscase en het vormgeven van de samenwerking worden het meest genoemd. Wat verder opvalt is dat de planning met name door de marktpartijen opvallend veel (29%) wordt genoemd. Voor de overheid is dat slechts 4%. De gevolgen van de economische crisis worden door 12% van de respondenten genoemd, opvallend genoeg allemaal overheden.
 
Het grote belang van de zachte aspecten van gebiedsontwikkeling blijkt, net zoals uit ons boek, ook uit de enquêteresultaten. Weliswaar noemen de publieke en de private partijen niet dezelfde doorslaggevende factoren voor een succesvolle samenwerking, duidelijk wordt wel dat de menselijke factor bij gebiedstransformaties niet te onderschatten is. Door de overheid wordt vooral het belang van bevlogen sleutelpersonen en onderling vertrouwen onderstreept. De private partijen vinden de continuïteit van sleutelpersonen en het commitment van de betrokken personen en organisaties het meest doorslaggevend voor een succesvolle samenwerking. Op de vraag om in een percentage aan te geven hoe doorslaggevend de menselijke factoren zijn voor het succesvol realiseren van een samenwerkingsproject ligt het gemiddelde zelfs rond de 60%.
 
De uitkomsten uit de enquête bevestigen het beeld dat er zowel bij publieke als bij private partijen in deze tijden van crisis sprake is van een specifieke kennisbehoefte. De antwoorden die op deze vraag gegeven worden zijn gevarieerd maar (innovatieve) financieringsvormen (20%) en projectversnellingsmogelijkheden (23%) springen er daarbij uit. Door de publieke partijen wordt ook kennis over samenwerkingsvormen (15%) regelmatig genoemd.
 
De concrete gebiedstransformaties waar de respondenten bij betrokken zijn blijken op dit moment vooral te maken te hebben met ‘vertraging’ (51%) en ‘versobering’ (29%). Het verkleinen en vervallen van projecten is veel minder vaak genoemd. Als belangrijkste redenen voor de vertraging van projecten worden genoemd het niet sluitend krijgen van de businesscase (opnieuw!), de daling van de afzetmarkt en het afhaken van samenwerkingspartners. Ook hier zijn het dus met name de financieel-organisatorische criteria die bepalend zijn. Slechts 16% van alle respondenten verwacht geen vertraging van hun project als gevolg van de crisis. De verwachte vertraging die de overige respondenten aangeven varieert van minder dan een jaar (12%), één tot twee jaar (32%), twee tot drie jaar (24%) en zelfs meer dan drie jaar (16%). Wat verder opvalt is dat bij het inschatten van de vertraging de marktpartijen gemiddeld genomen wat positiever zijn dan de publieke partijen.  
 
Ook uit de verwachte financiële consequenties die de crisis uiteindelijk zal hebben op de projectbegroting blijkt dat de marktpartijen hier een positievere inschatting maken dan de overheden. In totaal verwacht van de respondenten een kwart géén overschrijding van de projectbegroting als gevolg van de crisis. De gemiddelde overschrijding van de projectbegroting die door de overige respondenten wordt genoemd ligt zo rond tussen de 15 en 20%. Wanneer we vervolgens de financiële omvang van de betreffende gebiedstransformaties in ogenschouw nemen dan is de conclusie gerechtvaardigd dat het om heel veel geld gaat.
 
Een andere interessante uitkomst is de wijze waarop in de huidige crisissituatie naar de mening van de respondenten het beste sturing op de transformatieopgave kan worden behouden of verkregen. Deze vraag betreft de onderlinge verhoudingen tussen publiek en privaat. Een kleine meerderheid (52%) geeft aan dat dit het beste op basis van de verdeling van risico’s kan gebeuren. Het delen van risico’s wordt door een veel minder aantal respondenten (12%) genoemd. Opvallend is dat het volledig overdragen van projecten aan de markt (concessiemodel) zowel door de publieke als door de private partijen niet genoemd wordt. De complexe transformatieprojecten lenen zich daar, zeker in tijden van crisis, dus niet voor. De huidige tendens is dus samenwerken op basis van een strikte scheiding in risico’s en verantwoordelijkheden waarbij ieder doet waar hij goed in is. Concessies en joint-ventures zijn bij gebiedstransformaties op dit moment minder actueel.
 
Tot besluit van de enquête hebben we de vraag gesteld met welke publieke en private acties de praktijkprojecten op korte termijn het meest geholpen zijn. Dit leverde een grote variatie in antwoorden op. De meest genoemde publieke acties waar behoefte aan is zijn het proactief benaderen van marktpartijen (20%), versoepeling van de wet- en regelgeving (19%), en subsidieverstrekking (17%). De meest genoemde private acties waar behoefte aan is zijn het aanbieden van innovatieve financieringsmogelijkheden (40%), het proactief benaderen van overheden (25%) en het aanbieden van innovatieve inhoudelijke oplossingen (20%). Zowel de overheid als de markt geven dus aan dat ze van de andere kant van de tafel initiatief verwachten. Dit toont de noodzaak aan om gezamenlijk op zoek te gaan naar oplossingen. Wanneer deze handschoen daadwerkelijk wordt opgepakt en partijen niet gaan zitten wachten totdat de ander toenadering zoekt, kunnen er mooie innovatieve oplossingen ontstaan in deze turbulente tijd. Gemeenten en marktpartijen in steden als Rotterdam, Alkmaar en Zwolle laten dat momenteel zien.     
 
Tijdens het middagseminar ‘Een verfrissende douche’ dat wij op 30 september aanstaande organiseren (zie hiervoor elders in de nieuwsbrief) zullen de uitkomsten van deze enquête ook aan bod komen.